De verloren zielen van Ranshoven

Kris Merckx
* "Fons Van Miekes" - tekst van Gui en Katrien Nijs

de avond van Sinte-Walpurgis, 29 april 1899
De hele dag al hing er een asgrauwe lucht boven de velden van Goetsenhoven en Hakendover. Enkel de bloesems verklapten iets over het tijdstip van het jaar. De boeren die bij het ochtendgloren hun koeien in de weiden van de Hooibout kwamen melken, opperden dat "het verdoeme toch wel kaat was ver de momant van het joër." Slechts af en toe doorbrak het geroep van een eenzame vogel in het boske van Meer de beklemmende stilte. Heel de natuur leek te rusten in afwachting van wat komen zou.
17.59 u
Over de weg van Wulmersum reed een tilbury getrokken door twee paarden. Hij sloeg de weg naar het Begijnhof in en hield halt voor het pas voltooide kasteel van Vossem. De heer Alfons Goosens stapte uit en naar dagelijkse gewoonte zei hij tegen zijn koetsier nog even te willen wandelen alvorens het avondmaal te nuttigen. 'Wie mesjeu," knikte de koetsier en hij maakte daarbij een gebaar alsof hij een legeroverste groette. De heer Goosens reageerde niet meer op het Hakendoverse Frans dat zijn koetsier sprak. Hij had zijn vrouw immers beloofd zich niet meer op te winden over de primitieve en achterlijke gewoonten van het 'gepeupel'. Alhoewel hij in de streek van Diest was geboren, verkoos hij de taal van Moliere boven de volkstaal. Alfons Goosens was een man van aanzien. Als ingenieur was hij verbonden aan de Tiense suikerraffinaderij en als liberaal schepen zetelde hij al een paar jaar in het Tiense stadsbestuur. Bovendien steunde hij, weliswaar onder druk van zijn vrouw, allerlei charitatieve werken.

Het was precies zes uur toen meneer Alfons met zijn hond Richelieu in de richting van Hakendover kuierde. Het angelus riep de boeren die op het veld werkzaam waren op tot gebed. "Weer zo'n middel van die katholieken om het domme gepeupel aan zich te binden. Die achterlijke boeren zijn nog te dom om het belang te beseffen van die spoorweg hier!" Jaren geleden hadden de inwoners van Wulmersum immers geprotesteerd tegen het afbreken van hun 'kerk'. Ze waren niet te overtuigen van het economisch belang van de ijzerweg, vooral niet omdat ze dan helemaal waren toegewezen op Hakendover. Reeds van bij hun ontstaan waren Wulmersuro en Hakendover verbonden door een ingewikkelde haat-liefdeverhouding. 'Dei van Wulmersum zijn geboure zonder kerk en zonder toure, ze make e kotteke in hunne beuk en doë koume dei van Wulmersum uit," zongen de mensen van Hakendover. "Dei van Hakedeuver zen schalIeme," repliceerden die van Wulmersum ietwat ontmoedigd. Onder de stenen spoorwegbrug echoden de voetstappen als hamerslagen tegen de wand. Als hij onder de brug door was, keek hij onwillekeurig naar rechts. Over de akker die naar het bos toeliep, naderde een korte gedrongen gestalte met een zwarte kap diep over het hoofd geslagen. Hoewel Alfons een man van de rede was, liep er toch een huivering over zijn rug. Richelieu gromde net alsof er een drieging uitging van de gestalte. Pas als ze dichterbij kwam, herkende Alfons Carolincke Strook, het oude vrouwtje dat verderop tussen Meer en Wulmersum woonde, in het vervallen boerderijtje van Kriekemieke. De mensen van Hakendover waren bang van Carolincke. Zij zou reeds op vele huizen de Kwade Hand hebben gelegd, en tal van kinderen in het dorp zouden op mysterieuze wijze gestorven zijn. Alfons spotte met zulk een dwaas bijgeloof: kinderen stierven door een gebrekkige hygiëne of verkeerde voeding en hij was er fier over dat zijn dochtertje flink en gezond was. "Vanavond is het processie, meneer." Als ze zijn nietbegrijpende blik zag, voegde ze eraan toe: "Ja meneer, processie van de verloren zielen van Ranshoven. Vanmiddag heb ik mijn huis laten zegenen door pastoor Maes." "Hier", zei ze en ze reikte hem een paar takjes van de spikdoorn aan, "strooi wat blaadjes rond uw kasteel, blijf wakker en bid het Sint-Jansevangelie!" "Wel," grinnikte meneer Alfons, "als er dan werkelijk leven is na de dood; dan nodig ik al die dwalende zielen uit vanavond eens een glaasje te komen drinken!" "Spot niet met de machten van de duisternis, mijnheer!" zei Carolincke en ze schuifelde, steunend op haar knoestige wandelstok, richting Kriekemieke. Om haar toch enigszins tevreden te stellen, stopte hij de takjes in zijn jaszak. "Pastoor Maes heeft haar huis gezegend. Wat zal mijn vriend de dorpsherder nog allemaal uitvinden om zijn schapen onnozel te houden," lachte Alfons. Vorige week nog vernam hij dat de pastoor de fameuze spookhaas van de wereld verbannen had voor 99 jaar, met behulp van het Sint-Jansevangelie, wat een wondermiddel moest dat toch wel zijn! Hij achtte het goed mogelijk dat het de pastoor zelf was geweest die 's nachts, gehuld in een grote witte vacht, door het wegeltje naast de pastorij huppelde, om dan vervolgens de held van de parochie te worden door het 'spookdier' te 'verbannen'. "Geen enkele jager is erin gelaagd het dier dood te schieten," had zijn koetsier met bevende stem gezegd. "Ik had het anders wel eens willen proberen," had Alfons gelachen. Alhoewel hij pas sinds zes maanden in Hakendover woonde, leefde hij op constante voet van oorlog met de zielenherder van de parochie. De ruzie was begonnen toen pastoor Maes het pas voltooide kasteel van Alfons wilde komen inzegenen. Voor een vrijdenker betekende dat uiteraard niets minder dan zich onderwerpen aan het gezag van de Roomse Kerk. Hij had de pastoor dan ook zonder pardon verzocht zijn eigendom 'immédiatement' te verlaten. In zijn reeds opgestelde testament had Alfons laten opnemen -en daar was hij toe in staat dankzij zijn kennissenkring in de dorpspolitiek- dat zijn portret na zijn dood 'ten eeuwigen dage' in de pastorij moest worden opgehangen. "Tiens, waar is Carolincke zo plots naartoe?"
18.45u
Bij het avondmaal vertelde hij wat er hem was overkomen. Zijn vijfjarig dochtertje Eline vroeg wat 'âmes predues' wou zeggen. "Ce sont des fantômes, des esprits!" en hij stak daarbij zijn armen dreigend in de lucht. De kleine Eline liep huilend naar haar moeder. "Pourqoui tu dis une chose pareille?" snauwde madame Hortense en ze probeerde het meisje ervan te overtuigen dat spoken helemaal niet bestaan. De koetsier keek naargeestig en zij in zijn beste Frans de raad van Carolincke niet zomaar in de wind te slaan. "Waar heeft u de spikdoorn gelaten, mesjeu?" probeerde Jozef. "Je l'ai mis dans la poche de mon gilet," antwoordde 'monsieur' ietwat geïrriteerd. Hij tastte daarop in zijn zak, trok een vertwijfeld gezicht en zei: "Je l'aurai perdu."
20.13 u
Jozef Baetens, de koetsier, ging nog even naar het dorp, zogezegd om een afspraak te maken met smid Wouters am er morgen met de paarden naartoe te gaan. In werkelijkheid haastte hij zich om een twijgje van de spikdoorn op het kerkhof te halen. Omdat de paarden al op stal stonden, besloot hij te voet te gaan. Hij voelde zich niets op zijn gemak. Hij was niet gerust over het lot van zijn baas die steeds de spot dreef met het geloof. "En 't es pertang de slechtste nog nie," bedacht Jozef en hij schudde wat onzeker het hoofd. Langs de Hooibout en het begijnhof raakte hij op een twintigtal minuten wel in het dorp. Hij trachtte zijn gedachten 'oep iet annes te zetten', zoals men in het dorp placht te zeggen. Waarom noemde dit hier nu 'begijnhof' vroeg hij zich af, in gans het dorp was er geen halve begijn te vinden. Jozef wist niet dat een gedeelte van de gronden langs deze straat vroeger eigendom waren van het begijnhof van Zoutleeuw. Er was geen levende ziel te bespeuren, het leek wel alsof iedereen reeds lag te slapen. "Ma ja, 't es urnmes nog vrug oep 't joër, 't es nog rap doenkeI," dacht hij. Vroeger dan verwacht kwam hij op het punt waar de Ezemaalsestraat op de Begijnhofstraat uitmondt, aan de boomgaard en de lemen hoeve van Lammes. "Hai ge Mange nie gezien?" klonk het plots achter hem. Als hij zich omdraaide stond hij oog in oog met Carolus Kinnaer die zijn vraag herhaalde: "Hai ge me bruë nie gezien, n'es al van tenoenet no Goetsenhouve, euver Ranshouve en n'es nog altijd nie trug thuis. Da's nie no zijn gewoente." "Ich ham niemand nie gezien," zei Jozef op ongewild onvriendelijke toon en hij vervolgde zijn weg. "Euver Ranshouve, euver Ranshouve... och God za ter Mange iet euverkoume zijn?" galmde het door Jozefs hoofd. "'t Es percies in zenne kop geslage, oep 't kestiël werreke!" zei Carolus nors en zijn veertienjarig nichtje Maria knikte stilzwijgend. Aan de poel waar de voornaamste straten van het dorp versmelten, kwam de kerk al in zicht.
Het kerkhof
Jozef rukte uit alle macht aan een tak van de spikdoorn. Het kostte hem heel wat moeite om een paar takjes te bemachtigen. De takjes moesten wel een heilzame werking hebben. Was het immers niet in deze boom dat volgens de legende een duif had gezeten met een brief van God in de bek? "Op deze plaats wil Ik Mijn kerk bouwen." Dat alles was geschied in het jaar 690, toen drie godvruchtige maagden hadden besloten een kerk te bouwen ter ere van de Goddelijke Zaligmaker. Zij hadden de Hooibout als bouwplaats uitgekozen, maar engelen braken 's nachts af wat overdag werd opgebouwd. Hetzelfde gebeurde op de Steenberg, tot een engel hen naar de plaats leidde die door God was uitverkoren. Daar stond de spikdoorn of hagedoorn in volle bloei, in het putje van de winter, op de dertiende dag na Driekoningen. God zelf was de dertiende werkman geweest bij de bouw van de kerk. En daarom kon het ook niet anders of deze boom moest een wonderbare kracht hebben. De duizenden bedevaarders die hier op paasmaandag kwamen, lieten niet na een takje mee te nemen. En de boeren staken een twijgje op elke hoek van een akker, om de Kwade Hand te weren.
"Ziet ge niet dat die takken niet willen lossen voor een ketter of is meneer Alfons zijn leven aan het beteren?" In al zijn haast had Jozef de pastoor niet opgemerkt die de deur van de sakristie vergrendelde. "'t Is om in de paarden hun eten te doen," probeerde hij, "de merrie wil niet drachtig worden!" Ge zoudt het beter in meneer Alfons zijn eten doen...maar enfin, ge moet met uw merrie eens naar de kapel van Den Ossenweg gaan." "Ik zal het doen," fluisterde Jozef, "tot zondag meneer pastoor." "Tot zondag, vriend."
Aan de voet van het kerkhof, langs de Kerkstraat, stond het Gildehuis, stamlokaal en herberg van de schuttersgilde van Sint-Sebastiaan. Moeder Josephine loodste een paar late gildebroeders de deur uit.
Op de terugweg
Het ging al tegen negenen aan als hij Klares en de hoeve van Vandecan passeerde. Bijna lopend zette hij zijn weg voort. Je wist immers maar nooit wat er in het donker allemaal kon gebeuren. Huiverend herinnerde hij zich het geval van die man die aan Bosschellen werd besprongen door een weerwolf. "Dragen!" had het duivelse wezen gezegd. Jozef was opgelucht als hij onder spoorwegbrug door was en het kasteel weer binnen zijn gezichtsveld lag. "Bijna thuis," mompelde hij, "Maar wat...!" Van angst en pure verbijstering bleef hij als vastgevroren staan. Aan de poort van het kasteel zag hij een zwarte gedaante die steeds opnieuw tegen het hekken aan viel. Het leek wel als wou ze er overheen springen. "De weerwolf," slikte hij. Met wijd opengesperde ogen en bevende kaken keek hij toe. "Jezus, Maria, Jozef... spaar mij... och here... mijnheer Alfons."
21.13 u
Madame Hortense opende het raam van de woonkamer om het muffe vertrek wat uit te luchten. En plots hoorde zij het, eerst als een vloed van ongeconstrueerde klanken, en dan, als ze zich goed concentreerde, hoorde ze duidelijk de woorden: "Tierelijn, tierelijn,
in Ranshoven zijn de mensen
gestorven van de pijn
zonder mis zijn zij begraven
aan 't Hemels Geluk
zal geen enk'le ziel zich laven
tot in der eeuwigheid zullen zij dwalen
door deze weidse dalen"


"Wel alle duivels, welke gek waagt het om ..." riep meneer Alfons die het gezang nu ook gehoord had. Als een razende liep hij naar buiten. Richelieu die de aanwezigheid van iets of iemand had gevoeld, stormde woest blaffend naar het hek. "'k Zag een sneeuwwit vogelken ... heila hela nie bijte he manneke .."
Alfons trok het hek met een korte ruk open: "Wie waagt het om ...". Over de kasseiweg kwam, uit de richting van Goetsenhoven, een figuur aangestapt. "'k Zag een sneeuwwit vogelken ... heila Oep spoeke an't jage, menier Alfons"
"Amandus Kinnaer, hoe haalt ge het nu in uw hoofd om hier achter mijn hek een lied te komen zingen ... Als ge het nog één keer riskeert hier een lied te komen zingen over die onnozele affaire van Ranshoven, dan vliegt ge met de gendarmen mee naar het cachot!" krijste Alfons, "Liggen, Richelieu!" De hond verdween echter woest blaffend tussen de struiken. "Me alle respect meniër, ma ich ham ich nikske euver Ranshouve gezoenge!" beweerde Amandus, en hij stak daarbij als teken van eed zijn middel- en wijsvinger in de lucht. "Niet ijdel zweren, Amandus, God zal u straffen," spotte Alfons. Amandus, totaal onder de indruk van het gebeuren, vervolgde zijn weg, en hij beloofde God dat het de eerste en de laatste keer was geweest dat hij zo lang was weggebleven. Wat verder stootte hij tegen Jozef op, die nog steeds stilstond alsof hij met het wegdek vergroeid was. "Mijnheer Alfons, mijnheer Alfons ..." prevelde hij als in een gebed. "D'as e schoeën Onzevader!" schertste Amandus. "Ge haë zaïker ne slag van de meule gekraëge?" "Jozef, allez viens!" riep heer Alfons. "Jeidé," zei Amandus, "zoeë roep ich thuis nog nie oep den hond!"

"Monsieur Alphonse, il y avait encore quelqu'un d'autre!" "Vous ne devez pas défendre Amandus!" "Eigenaardig," dacht Hortense, "ik meende nochtans een vrouwenstem gehoord te hebben!" "Richelieu, waar heb je dat stuk zwarte stof vandaan gehaald?"
22.13 u
Door de opwinding op dit late uur kon Alfons de slaap niet vatten. "Zou de pastoor hier voor iets tussen zitten?" peinsde hij in half sluimerende toestand. Plots hoorde hij een vreemd geluid. Het klonk als het gedempt kloppen van een hamer, waarmee een spijker in de muur wordt geklopt. "Dieven," meende hij. Angstig kroop hij uit zijn bed. Met een kandelaar in zijn linkerhand als enig verdedigingsmiddel sloop hij naar de deur toe. Bij elke beweging kraakte de houten vloer. Als hij zijn oor tegen de deur legde, hoorde hij het onrustig ademhalen van iets of iemand achter de deur. Na een vijftal minuten hield het geklop op, hij hoorde het schuiven van een stoel en het piepen van de vloer. Iemand probeerde ongemerkt weg te komen. De vloer kraakte bij elke voetstap. Pas als het geluid volledig was weggestorven, durfde hij de deur openen om schoorvoetend de gang op te gaan. Er was niets of niemand te zien. Hij bekeek nu de deurstijl en dan bemerkte hij het. Boven de deur was een kruisbeeld vastgenageld met daarachter een twijgje van de spikdoorn. "Onnozel bijgeloof, bromde hij, en hij wou naar de kamer van Jozef om hem eens duchtig de les te spellen, maar de stem van zijn vrouw lokte hem terug zijn slaapvertrel in. "Alfons, ... où es-tu?" "Ik zal morgen..." murmelde hij.
22.30 u
Jozef besefte dat de "chef de la maison" hem zijn daad niet in dank zou afnemen: "Ma da naëm ich ter gare bij". Hij meende dat de spikdoorn nu wel een veel betere bescherming zou bieden dan wanneer hij de blaadjes ervan in het park zou hebben uitgestrooid. Jozef richtte zijn blik naar het Heilig-Hart van Jezus en zette het Sint-Jansevangelie in.

"In het begin was het Woord
en het woord was bij God
en het Woord was God
Dit was het begin bij God
Alles is door Hem geworden
en zonder Hem is niets geworden
van wat geworden is
In Hem was leven,
en dat leven was het licht der mensen
En het licht schijnt in de duisternis
maar de duisternis nam het niet aan"
23.13 u
Zowel Alfons en Hortense, als Jozef, schrokken uit hun slaap op door een ijselijke gil. "Eline!" riep Hortense en ze liepen naar de kinderkamer. De kleine Eline lag schreiend in haar bed. Ondanks de sussende woorden van haar moeder wist Eline slechts met horten en stoten uit te brengen wat er haar was overkomen. Er had een zwarte dame tegen de vensterruit getikt. "Tu as eu un mativais rêve, ne pleure pas." "Je brengt haar hoofd nog een op hol met al je domme praatjes, Alfons!" snauwde Hortense. "Ik!?!" sneerde hij terug, "niet ik, maar Amandus. Morgen ga ik naar de gendarmerie. Het zal hem zuur opbreken!" "Ik zal Eline bij me in bed nemen, ga jij maar elders slapen," zuchtte Hortense. "Kan ik iets voor u doen, meneer?" probeerde Jozef.
"Ja, ga slapen en blijf in je kamer!"
De woonkamer
De klok sloeg precies twaalf uur als Alfons beneden in de hal kwam. De regen gutste tegen de ruiten. Een stevige borrel zou de nachtrust wel bevorderen. Als hij de deur van de woonkamer opende, voelde hij een stevige tocht: "Natuurlijk, Hortense heeft het raam laten openstaan." Het leek wel alsof het raam een vreemde aantrekkingskracht op hem uitoefende, alsof een naamloos iets hem naar het raam toezoog. Zijn ogen keken naar waar hij niet kijken wilde. Aan de bosrand zag hij in een onaards wit licht een stoet van angstaanjagende gestalten, die over de akkers naar hem toe leken te bewegen. Hij wou weg voor het raam, hij kon niet, zijn voeten zetten zich slechts traag in beweging. Alles ging zo traag ... de vreemde kracht liet niet los. Hij struikelde ... hij wist niet waarover ... hij viel. Hij wilde schreeuwen, maar een zware last drukte op zijn borstkas, hij kon enkel een flauwe zucht over zijn lippen persen. In het open raam stond een onbeschrijflijk huiveringwekkende gestalte, gehuld in een grijze lijkwade, de ogen lagen diep in hun kassen, maar staarden hem niettemin aan ... dit was geen levend wezen. Over de lippen kwam een zacht rochelend gekreun en de handen klauwden in zijn richting. Vaag herinnerde hij zich de woorden uit zijn jeugdjaren:
'En het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis nam het niet aan."
De morgen van de dertigste april 1899 6.13 u
Boer Stouthuysen uit Wulmersum merkte dat één van zijn koeien die een weide langs de Walenstraat begraasden, was verdwenen. Normaal konden de koeien daar rustig lopen, vermits de wejde aan één zijde werd begrensd door de Vissengracht, aan een kant door een hoge berm en langs achteren door het talud van de spoorweg. Een bang vermoeden dat het dier misschien wel op de ijzerweg was gesukkeld zette hem aan het lopen. Langs de weg naar Vossem raakte hij vlug bij de spoorweg. De eerstkomende trein zou immers niet lang meer op zich laten wachten. Zijn klompen ketsten en kletsten tegen de kasseien en bemoeilijkten hem het lopen. Het ging al wat beter wanneer hij op de gewone aardeweg kwam. Tot zijn opluchting .bemerkte hij sporen in het halfwassen graan op de akker tegenover het kasteel. Zou het dier misschien in het bos zijn verdwenen? In het halfduister was het echter moeilijk dingen te onderscheiden. Het door de ochtenddauw nog vochtige graan zwiepte tegen zijn benen en een poos later kleefden zijn broekspijpen aan zijn kuiten. Hij liep nu al wat minder snel, het was ook moeilijk lopen op die zompige kleibodem en door het vochtige graan. Was dit wel het spoor van een dier? Het leek wel alsof er een zware last door het graan was gesleept.
Stouthuysen hield pal stil, zijn adem stokte in zijn keel. Voor hem lag het lijk van een man. "Wie is dit ... in godsnaam?" snakte de boer. De dode was in het duister moeilijk te herkennen, het gezicht was verwrongen in een vreemde grimas, alsof de man het uitschreeuwde van pure angst. De ogen puilden bijna uit hun kassen en in de wijd opengesperde mond lag een dik gezwollen tong. Armen en benen waren op de meest onmogelijke manier verwrongen ... Wie was die man en welke helse dood was hij gestorven? Boer Stouthuysen zette het op een lopen. In de verte bemerkte bij iemand.
6.30 u
Dewaelheyns was aan Kriekemieke een koe tegen het lijf gelopen, gelukkig bad hij een teugel bij de hand. Hij herkende het dier en besloot het terug te brengen naar Stouthuysens boerderij. Was dat Stouthuysen? Van aan Vossem kwam een man wild zwaaiend en om hulp roepend al struikelend aangelopen. "Staathuyse ... ?" twijfelde Dewaelheyns : "Wa haë dea an d'hand?" "Ich zal hoer biëst nie pikke zuë!" Zwaar hijgend liet Stouthuysen zich op zijn knieën zakken "E lijk!" hijgde hij, "Nen doeëie in't graan!". "Wa?!?!"
Moord?
Om 8 u waren de gendarmen ter plaatse. Het nieuws had zich als een lopend vuurtje door het dorp verspreid: "Staathuyse haë Gooëses in 't graan gevoenge!" Burgemeester Julien Grossen maande zijn champetter aan de omstaanders tot bedaren te dwingen. Tientallen kijklustigen verdrongen elkaar voor de inrijpoort van het kasteel. Pastoor Maes had echter meer succes dan de "garde". Hij verzocht de mensen rustig naar huis terug te keren, om de autoriteiten hun werk te laten doen. De tongen gingen aan het rollen, iedereen had zo zijn theorie, maar één ding was zeker, dit was geen gewone dood!
"Waar is Carolincke nu zo plots naartoe?" Door het gejoel zag niemand die zwarte ineengedrongen gestalte aan de bosrand, verscholen onder het lommerrijke lover, en zeker hoorde niemand de woorden die tussen haar lippen zongen:
"Tierlijn Tierelijn ...
In Ranshoven zijn de mensen gestorven van de pijn ..."

"En 't es curieus", zei iemand, "Da es hieë de twidde doeëie oep twieë dage tijd! Gistere veudenoen es Carolincke gestorreve. De pestoeër haë heur om naëge uur 's merreges het sacrament van de Starrevende toegediend." "s'Es goed doeëd, de heks" "Past mar oep, sprekt heure naam ne mieë uit!"
De kranten
"Schepen Goosens dood aangetroffen op graanakker."
"Gisterenmorgen heeft boer Stouthuysen uit Wulmersum (Haekendover) de schrik van zijn leven doorgemaakt. Toen hij omstreeks halfzeven in de morgen op zoek ging naar ene van zin koeien, die ontsnapt bleek te zijn, trof hij een spoor aan in het graan tegenover het kasteel "Vossem", dat toebehoord aan A. Goosens, schepen te Tienen en ingenieur in de suikerfabriek aldaar. Wat een akelige belevenis moet dit niet een zijn geweest! In het graan vond hij de stoffelijke resten van wijlen heer Goosens, die volgens zijn zeggen "niet om aan te zien waren". De gendarmerie was om acht uur reeds terplaatse, wat de snelheid van onze ordediensten dermate illustreert! Vele dorpelingen van de omgevende dorpen, door het bericht van deze schrikkelijke dood zeer diep geschokt, de heer Goosens was immers een zeer geliefd en milddadig man, waren zeer rap op de plaats van het schouwspel. Ook zijn familieleden zijn zeer diep getroffen door het schrielijk afsterven van hunner geliefd familielid. Zijne respectabele vrouw, Hortense de la Sauveniere de Raccour, is in de spoeddiensten van het gasthuis te Tienen opgenomen. De geneesheer meldt dat het waarschijnlijk gene blijvende geestelijke of lichamijke kwetsuren tengevolge zal hebben. Laat het ons hopen! Erger is het gesteld met Joseph Baesens, de koetsier, de arme man is aan het raaskallen geslagen en werd in de kliniek der Broeders Alexianen opgenomen. Daar zal hij verblijven tot er enig zicht op beterschap is. Volgens het parket is er geen enkel aanwijsbaar teken gevonde dat wijlen de heer A. Goosens om het leven zou zijn gebracht. Alhoewel het lichaam in een zeer verwrongen toestand werd wedergevonden is er geen enkel spoor van ene messteek ofte kogelschot gevonden, noch zou hij zijn gewurgd. Ook in het bloed hebben de lijkschouwers geen enkel spoor van verdovende of giftige stoffen gevonden. Volgens zijn familieleden verkeerde wijlen de heer Goosens in ene goede en blakende gezondheid. Gij zult door onze reporters op de hoogte worden gehouden van de verdere verwikkelingen van dezer droevige kwestie."
"Ge got mich toch nie wijsmake zaiker da dea een nermoël doeëd es gestorreve zaiker? 't Lait ter toch ne vinger dik oep!"
Epiloog
Hortense keerde na deze dramatische gebeurtenissen met haar dochtertje terug naar de streek van Waver, van waar zij afkomstig was. Zij woonde daar in het landhuis van de familie de la Sauveniere tot aan haar dood op 1 november 1926. Het huis stond tot voor een paar jaar nog in Waver langs de steenweg naar Overijse. Het gebouw was onbewoond en in erg vervallen en verloederde toestand. Op een keer parkeerde ik mijn wagen langs de kant van de weg. Het oude toegangshekken was verroest en hing scheef in haar hengsels. Ik koesterde de ijdele hoop ongemerkt te kunnen binnensluipen in de verwachting nog een of ander spoor te vinden van de lugubere geschiedenis die de vroegere inwoonster had meegemaakt. Er liep een koude rilling over mijn rug toen het verlaten gebouw hoog voor me oprijsde. Voor de bakkerij wat lager in de straat stond een oud vrouwtje naar me te kijken. Ze leek zo ontsnapt uit de negentiende eeuw met haar zwarte ouderwetse kleren. Ze kwam naar me toegestapt en zei: "Il y a des fantômes là-bas, mijne joeng, " en giechelend schuifelde ze verder. Blijkbaar zijn er in Waver nog heel wat tweetalige ouderlingen. Bij de afbraak van het huis ben ik er weer gestopt. Voor het oude hek stond een grote container met afbraakmateriaal. Het huis moest wijken voor een kantorencomplex. Tussen het puin lagen tot mijn verbazing nog oude papieren, een paar oude schriften, een zak met brieven en kaarten en iets wat op een tekenmap leek. Thuisgekomen heb ik alles rustig doorgenomen. In de map vond ik tekeningen van Eline Goosens en patronen voor een jurk. Een paar tekeningen zijn zeer opmerkelijk. Voor het dakvenster van een kasteel zweeft een zwarte gestalte. Op een andere tekening staat een stoet van witte figuren voor een man die neerlig op de grond. Groot was mijn ontsteltenis toen ik tussen de vergeelde documenten ook een stuk van het dagboek van Hortense terugvond. Op de voorlaatste bladzijde lazen we: "Pour les gens qui ne le croit pas. Pour notre Seigneur, Jésu...." De rest was onleesbaar geworden. In de briefwisseling vonden we heel wat kaarten met "innige deelneming" en "condoléances", daterend van begin mei 1899.

Eline Goosens huwde op 2 juli 1919 met de Amerikaanse journalist J. Mc Cullen. Zij overleed in Boston in 1967.
Het kasteel werd in 1920 verkocht aan Henri Piron, nadat het 21 jaar lang was bewoond geweest door A. Vossem, een handelaar uit Tienen, van wie de heer Goosens de gronden had gekocht en wiens naam het kasteel nog steeds draagt. Jozef Baetens is na zijn herstel uit de streek verdwenen. Hij is in dienst getreden van boer Van Hemeldonck op het pachthof van Tersaet onder Neerijse, een hofstede met 102 hectaren, en toebehorende aan de graaf en gravin van der Stegen de Schrieck.
En Carolincke?
Zij stierf op 29 april 1899, om 11 uur 's voormiddags na een hevige doodstrijd die 13 uur heeft geduurd. Over haar kunnen we nog lezen in "Folklore Brabançon" van maart 1934: "Les vieilles gens conservent le squvenir d'une sorciere nommée carolincke Strook, et dont les enfants et grandes personnes s'effrayaient. On n'a pu pourtant me citer des faits précis."
29 april 1982
Bij werken van de ruilverkaveling vindt men, in de nabijheid van Kriekemieke, de skeletten van de inwoners van het middeleeuwse dorp Ranshoven die, vermoedelijk tengevolge van een pestepidemie in de 15e eeuw, om het leven kwamen.
Schreeuw
"Tot halfweg de jaren '60 waren mijn grootouders eigenaar van het kasteel. Op een avond -ik was toen een jaar of zes- zaten we rustig in de zetel aan het keuvelen. Plots weerklonk buiten aan de kasteelvijver een ijselijke kreet van een vrouw, een gil die minutenlang aanhield. Mijn grootvader stormde naar buiten maar kon nergens een spoor van menselijke aanwezigheid vinden. En de eerste huizen zijn toch wel een aantal honderden meter verwijderd. Die gil is onuitwisbaar in mijn geheugen gegrift. Ik huiver nog steeds als ik eraan denk," zo getuigt Linda Wuyts ('t Oud Kastrolleke, Overwinden) in 1998.
Fons van Miekes
Fons van Miekes was een authentieke volksfiguur van Wulmersum. Omdat hij in zijn jeugd een ongeluk had gehad en hij daardoor kreupelde, werd hij in de volksmond "De Schieëve va Miekes" genoemd. Fons en zijn zuster Maria waren beiden ongetrouwd en woonden er samen in een kleine boerderij. In de zomer zaten de mannen van de Walenstraat 's avonds bijeen op de gracht. Er werden nieuwtjes uitgewisseld, maar vaak ook anekdotes en verhalen verteld. Als Fons begon te vertellen deden ze stilletjes achter zijn rug op mekaar teken: "Hoft oer tasse mar toe". Want Fons had een onbegrensde fantasie. Alleen als hij over de verdwaalde zielen van Ranshoven begon, wist niemand goed wat ze daarover moesten denken. Fons vertelde: "Het was kort na de oorlog. Ik moest van mijn nonkel in de late namiddag nog een kar bieten gaan laden op de Sinte-Pietersberg tussen Wulmersum en Meer. Ik spande in en tegen dat ik terug aan Ranshoven voorbij kwam begon het al te duisteren. Ik was niet op mijn gemak, want het was algemeen bekend dat het daar spookte. Ik was geen honderd meter ver de diepe straat in of ineens bleef mijn paard staan. Hoe ik ook riep, het beest verroerde geen poot. Ik wilde van de kar afspringen, maar ik was precies verlamd. Ik was helemaal verstijfd van schrik en van kou. Ik zag en hoorde geen enkel geluid meer. Ik zat daar een hele tijd. Ik luisterde naar de klokken van de kerk om te weten hoe laat het was, maar die zwegen als vermoord. Het was lange tijd doodstil. Toen stak er opeens zo een hevige wind op dat ik vreesde van de kar te vliegen. Daarna was het plots weer muisstil en begon er een klein vreemd klokje te luiden, dat ik nog nooit had gehoord. Vlak daarop klonken twaalf doffe slagen. Het uur van de spoken ging door mijn hoofd. Opeens een geweldige bons achter mij op de wagen, gevolgd door een felle lichtflits. Ik voelde mijn hart kloppen in mijn keel. Ik hoorde achter mij een stem: "Draai u niet om. Gij alleen kunt ons helpen." Zonder het echt te beseffen, merkte ik dat ik weer kon spreken en mij bewegen. Ik vroeg: "Wie zijt gij en wat moet ik doen?" De gedaante antwoordde: "Wij zijn de zielen van de overledenen van Ranshoven. Omdat onze begraafplaats verwoest is, kunnen wij geen rust vinden. Daarom is het nodig dat wij zeven keer de plaats bezoeken waar wij vroeger geleefd of gewerkt hebben. Gij zijt de voerman die ons daar naartoe moet brengen." Ik zei: "Goed, ik zal u voeren, maar doe mij of mijn paard geen kwaad." Ik wilde vertrekken maar de geest waarschuwde: "Wacht eerst op de anderen." Ik hoorde achter mij acht of negen ploffen, precies of de mulder een zak naar beneden liet vallen. Toen deed de eerste geest teken en ik klakte met mijn tong. Ik draaide mijn gevoer. Het paard stapte nu door de stikdonkere nacht. De maan zat verscholen achter dikke wolken en er was geen ster te zien. Aan het hof van Ranshoven, bij Stevens, moest ik inhouden en voelde ik dat de eerste verdwaalde ziel afstapte. Bij Jans, bij de Witte van Freekes en bij Tist hetzelfde. Vlak over de spoorweg gaf de geest met zijn hand aan dat we langs het Broek moesten. Zijn hand was blauw en doorschijnend. Aan Klits bleef nog alleen de eerste geest over. "Rij nu drie keer rond de kerk van Hakendover en kom dan terug om alle zielen op te halen. Ziet dat niemand u ziet en zet er wat vaart achter want om één uur moet alles afgelopen zijn." Ik liet de lijn kletsen op het achtereind van het paard. Het getrappel van de hoeven klonk hol tegen de gevels van de huizen. Ik hoorde in de verte een klok één keer tampen. Ik had dus nog een half uur de tijd. Met moeite kreeg ik mijn wagen gemend doorheen het smalle straatje rond de kerk. Eén enkele keer hoorde ik aan het snerpend geluid dat ik de kerkmuur raakte. Ik hield mijn adem in. Verder geen geluid. Toen ik aan Klits terugkwam, stond de geest mij al op te wachten. Ik hoorde weer het doffe bonzen van de zielen, die opstapten. We kwamen veilig in Ranshoven aan, niemand had ons gezien. Eens dat alle zielen afgestapt waren, haalde ik verlicht adem. Maar de geest sprak: "Dit is onze eerste boetetocht. Op de gepaste tijd, telkens als het klokje van Ranshoven luidt, zal ik u komen wekken. En dat tot de zeven keer zijn vol gemaakt." Ik heb toen maanden bijna niet durven slapen. Nog zes keer zijn ze mij komen wakker maken. Er werd dan op het venster geklopt van mijn kamer. Ik kleedde mij vlug aan, deed voorzichtig de deur open en spande het paard in. Elke keer volgden wij hetzelfde ritueel en gingen we langs dezelfde weg. Op het einde van de zevende tocht zei de geest: " Nu kunnen alle zielen in vrede rusten. Slaap nu de slaap der rechtvaardigen. Uw taak is volbracht." Ik ben toen naar huis gereden en heb drie dagen en drie nachten geslapen. Ik heb lange tijd hierover aan niemand iets durven vertellen. Toen ben ik naar Sint-Truiden gegaan en heb aan een pater van het begijnhof alles opgebiecht." Als hij gedaan had, zweeg Fons minuten lang. Hij keek dan met een dromerige blik over zijn schouder richting Ranshoven en staarde vervolgens lange tijd voor zich uit. Het gebeuren had hem diep aangegrepen.
Disclaimer